Een blanco, wit, rechthoekig spandoek met een lichtblauwe strook langs de boven- en onderrand.

Mijn eerste bevalling


Ik beviel met 33 weken

Ik was 33 weken en 3 dagen zwanger. Een termijn waarop je nog denkt dat je tijd genoeg hebt. Ik voelde me goed, zorgeloos zelfs. Tot die ene ochtend. Ik stond op, klaar om naar mijn werk te gaan, toen ik ineens een bloedprop in mijn onderbroek zag. Het overviel me, maar ergens wilde ik het wegwuiven. Het zal wel meevallen, dacht ik. Mijn man zag de ernst eerder dan ik en drong erop aan dat ik toch even langs de verloskundige zou gaan.


In de praktijk bleef de sfeer eerst nog ontspannen. De verloskundige maakte zich niet direct zorgen. Ik voelde immers niets: geen harde buiken, geen weeën, niets wat op een bevalling leek. Maar voor de zekerheid wilde ze toch toucheren. Ik had vier centimeter ontsluiting, zonder dat ik iets gevoeld had.


Ik reed zelf naar het ziekenhuis, ik had immers toch geen weeën. In het ziekenhuis probeerden ze de weeën te remmen, maar elke minuut leken ze sterker te worden. De ontsluiting liep op: vijf, zes… tot zeven centimeter. Ze konden het niet langer tegenhouden. De bevalling moest komen.


Ondertussen werd mijn man geïnformeerd over alle risico’s die horen bij een te vroege bevalling. Woorden die ik niet meekreeg. Ik vocht tegen elke wee, tegen mijn eigen lichaam, tegen de realiteit. Ik wilde dit niet. Niet nu. Hij was nog helemaal niet klaar om geboren te worden.


Na zes intense uren kwam ons zoontje ter wereld. Maar waar je normaal je baby bij je mag houden, werd hij snel meegenomen door de kinderarts en zijn team. Mijn man ging met hen mee en ik bleef achter.


De kamer werd stil. Veel te stil. Ik lag daar, net bevallen, zonder baby, zonder man, zonder iemand die me vertelde hoe het ging. Al het personeel was verdwenen. 

Ik belde drie dierbare in de tijd dat ik alleen lag. Ik was nog in shock, bijna niet begrijpend dat ik net moeder was geworden. Ik wist niets over de risico’s, niets over hoe het met hem ging.  Pas later werd ik naar de kinderafdeling gebracht. Ons kleine mannetje lag in een couveuse, omringd door piepjes, slangen en lichtjes. Gelukkig deed ons zoontje het goed. 


Zwart-wit illustratie van een paardenbloem met wegwaaiende zaadjes op een witte achtergrond.
Dunne zwarte halvemaan-icoon op een witte achtergrond

Ik moest mijn zoontje achterlaten


De verwachting was dat ik mogelijk na één nacht naar huis zou moeten. Het was druk, kamers waren schaars. En zo gebeurde het: Ik moest na twee dagen naar huis. Zonder mijn zoon. Het is onmogelijk om uit te leggen hoe onnatuurlijk dat voelt. Alles in je protesteert, maar toch ga je want je moet. Maar hoe kun je in godsnaam rusten als kraamvrouw als je kind kilometers van je vandaan ligt? Op en neer naar het ziekenhuis, waarna je uren langs de couveuse gaat zitten. Daarna ga je met verdriet naar huis, omdat je je kind niet wil achterlaten. 


Na acht dagen kreeg ik gelukkig een kamer om samen met mijn zoon te verblijven. Dat voelde als thuiskomen, en toch begon toen een nieuw hoofdstuk van intensiteit. Mijn man moest werken, als zzp’er had hij weinig andere keuze. De zorg kwam volledig op mijn schouders terecht.


Om de twee uur gaf ik sondevoeding. Dag en nacht. Slapen was een luxe waar ik nauwelijks aan toekwam. En de alarmen… die bleven gaan. Piepjes die wezen op hartdipjes, ademhalingspauzes, waardes die daalden en stegen. Dingen die horen bij een prematuur kindje van 33 weken, maar die je als moeder elke keer opnieuw doen schrikken.


Het personeel wilde graag helpen, maar mijn moederhart wilde alles zelf doen. Ik wilde dichtbij hem zijn, elke beweging zien, elk geluid horen. De verantwoordelijkheid voelde groot, maar ik kon hem niet loslaten. Hij mocht maar twee keer per dag uit de couveuse voor buideltijd: één keer met mij, één keer met zijn vader. Die momenten waren kostbaar, maar het voelde alsof we telkens te snel weer moesten loslaten.


Daarbovenop hing constant het risico dat ik wéér naar huis gestuurd zou moeten worden. De regel was dat de langst verblijvende moeder moet vertrekken als er een nieuw gezin een kamer nodig heeft. Ik durfde er niet aan te denken dat ik hem opnieuw zou moeten achterlaten.


Een roze wolk? Die was er niet. Mijn kraamtijd speelde zich af thuis zonder kind en hierna in het ziekenhuis, onder tl-licht, vol zorgen en alarmen.

Ondertussen kwamen er berichtjes binnen: “Wanneer mogen we op kraamvisite komen?” De meeste mensen realiseren zich niet dat 33 weken echt heel vroeg is. Prematuur geboren kinderen lopen risico’s zoals:


  • ademhalingsproblemen en apneus
  • onderontwikkelde longen
  • problemen met temperatuurregulatie
  • een hoog risico op infecties
  • voedingsproblemen
  • kans op hersenbloedingen
  • problemen met hartslag en zuurstofgehalte
  • mogelijk langdurige ziekenhuisopname



Wij hebben enorm veel geluk gehad. Ons zoontje bleef de grote gezondheidsproblemen bespaard. Maar dat is zeker niet vanzelfsprekend. In veel gezinnen speelt onzekerheid op leven en dood, dagen, weken of zelfs maanden lang.

Na vier weken ziekenhuis, kwam het moment dat we bijna niet durfden te dromen: we mochten naar huis. Samen. 


Maar zelfs thuis voelde niets zorgeloos. We waren voorzichtig met bezoek, voorzichtig met prikkels, voorzichtig met alles. Zijn start was kwetsbaar en daarom was hij extra vatbaar.  En juist deze situatie heeft mij gevormd. Niet alleen als moeder, maar ook als mens. Als vrouw. En nu zelfs als begeleider in mijn eigen praktijk, van vrouwen die te maken hebben met rouw en verlies. 


Voor wie benieuwd is, er is na deze bevalling geen oorzaak gevonden voor deze vroeggeboorte. 


Lees hier meer over mij